Auteur: Maur Bentein

Datum laatste publicatie: 19 september 2023


 

1 - Touwslagen

1.1 - De basis

Een touwslagerij of lijnbaan heeft twee uiteinden. Aan het ene, vaste eind, staat een wiel of slagmechanisme (slinger) met een aantal haken (3 of 4). Het mechanisme zorgt ervoor dat de haken synchroon draaien in dezelfde zin. Aan het andere, mobiele eind van de lijnbaan zie je ook een slinger met een enkele haak, de lameroen, die bevestigd is aan de lopende bok.

schema van een lijnbaan
Schema van een lijnbaan

De reden voor de mobiliteit van de lopende bok is simpel. Door het draaien van de garens tijdens het touwslagen zal het touw tussen de uiteinden verkorten tot 70% van de oorspronkelijke lengte.

Tussen de haken van het vaste eind en de lameroen worden de garens gespannen om het touw te slagen. Voor de modelbouw kun je ook gelijk gebruik maken van bestaand touwwerk als kardelen om de dikte van je touwwerk niet te groot te maken (een enkel geslagen touwtje in de plaats van een bundel garens).

1.2 - De horizontale lijnbaan

Om de beletten dat de lopende bok te snel loopt wordt aan dat einde van het touw een tegengewicht geplaatst. Dat gewicht is proefondervindelijk te bepalen, zeker bij het touwwerk voor modelscheepjes. Wat echter af te raden is is het tegengewicht te vervangen door een veer. Een veer zal namelijk geleidelijk meer en meer kracht (F = k.N) uitoefenen op het touw. Wat we wensen is een gelijkmatige kracht, dus een constant gewicht. Een gewicht op de lopende bok plaatsen – zoals men deed bij de echte touwslagerijen – ligt ook niet voor de hand omdat de wrijving tussen lopende bok en tafeloppervlak niet altijd gelijkmatig is. Hortende wrijving zorgt voor ongelijkmatig touwwerk. Een wel voor de hand liggende oplossing is het vastmaken van de lopende bok aan een gewicht die over de rand van je werktafel hangt via een loopwieltje of een beugeltje met minimale wrijvingscoëfficiënt.

schema met het tegengewicht
Schema met het tegengewicht

Je zou denken dat een verticale opstelling gemakkelijker zou werken, zeker ter vereenvoudiging van de tegengewichten, maar dat is een illusie. Het bovenste uiteinde kun je nog ergens aan vastmaken, maar het onderste uiteinde is moeilijker te bevestigen en te controleren. Je bent uiteindelijk genoodzaakt om het onderste uiteinde vrij te laten hangen, dus zonder de lameroen te kunnen vastzetten, waardoor je touw niet gecontroleerd opschiet. De slag zal variëren in de hoogte. Daarbij komt dat je beperkt bent in hoogte tot het plafond van je werkkamer. Daarom raad ik aan een horizontale lijnbaan te maken.

1.3 - De klos

Een laatste essentieel stuk van de lijnbaan is de klos. Deze kun je beter ineens goed maken. Het uiteinde van de klos waar de kardelen ingaan moet ongeveer dezelfde diameter hebben als de denkbeeldige cirkel tussen de haken. Iets groter is beter dan te klein omdat de kardelen de neiging zullen hebben om van de klos af te wippen van zodra het kan, zelfs al heb je diepe groeven in de klos gemaakt om de kardelen te geleiden. Een band rond de klos kan ook helpen met het geleiden van de kardelen in de groeven van de klos.

Aan de andere zijde van de klos – waar het touw wordt gevormd door de kardelen om elkaar te slaan – is geen scherpe punt nodig. Een stompe punt volstaat, want het touw zal toch netjes geslagen worden zolang de kardelen op dezelfde spanning blijven.

schema van een klos
Schema van een klos

Wat ook nodig zal zijn is een manier om te beletten dat de klos meedraait met het touw. Dat kan een steel zijn vastgemaakt aan de klos en wiens uiteinde vastgehouden wordt (manueel of via een stopper).

2 - De manier van werken

Ik ga uit van de veronderstelling dat je kardelen gebruikt van een bestaand koord en dat ze zichtbaar mooi geslagen zijn in een bepaald zin (links of rechts = S of Z). Anders zul je de garens een aantal keer tussen de verschillende haken en de lameroen moeten opspannen om de dikte van de kardelen te bekomen.

  1. Je bindt de uiteinden van de kardelen aan de 3 haken (of 4 in geval van de stagen van een staand want of een kabel) en je bindt ze samen aan de lameroen met gelijke spanning. Een gelijkmatige spanning kun je bekomen door drie (of vier) gewichten aan de drie (of vier) kardelen te hangen en daarna een bindsel op het uiteinde aan de lopende bok te zetten en een oog op het uiteinde van het touwwerk te maken zodat het over de lameroen past.

  2. Je zet de lameroen vast zodat hij niet kan draaien en je windt de kardelen (of garens) verder op in de zin van hun slag (anders zullen ze ontwinden) totdat de slag een 45° hoek vormt met de lijn van de kardeel.

  3. Je plaatst de klos aan de lopende bok (bij de lameroen). Daar begint het geslagen touwwerk immers zich te vormen.

  4. Je draait nu met de lameroen de kardelen in elkaar tot een touw, in tegengestelde zin van de slag van de kardelen.
    1. Tijdens het draaien moet je de klos gelijkmatig naar achteren bewegen en de gevormde slag in het touw in het oog houden. Hoe korter deze slag hoe stijver het touwwerk zal zijn. Voor modelbouw raad ik niet aan dit te stevig te doen; een maximum slag van 45° is ruim voldoende.
    2. Na een (beperkt) aantal slagen van de lameroen zul je ook de kardelen terug moeten opwinden omdat deze, door de tegengestelde draaizin van het touwwerk ten opzichte van de slag van de kardelen, zichzelf zullen ontwinden.
  5. Op het einde van de rit bind je de beide uiteinden van het touw eerst af met een bindsel (gebruik eventueel een druppel secondenlijm om alles aan mekaar te verzekeren).

  6. Verwijder daarna de klos.

  7. Snij tenslotte het touw los van de lijnbaan.

3 - Modelbouwtouwwerk maken volgens TABOK

Naderhand heb ik in bron nummer 3 – The Ashley Book Knots, de bijbel voor touwwerk en knopen – een snelle methode gelezen om touwwerk te maken voor de modelbouw. Ik vermoed dat deze snelle methode wel de inzet van twee personen vergt.

afbeelding uit TABOK pagina 70
Deel van pagina 70 van TABOK

3.1 - Klein, gewoon geslagen touw

wartel en knoop
Opstelling met wartel en knoop

Om een klein, gewoon geslagen touw maken met een grote knop met vier gaten, een handboor en een kleine vislijnwartel, ga je als volgt te werk:

  1. Bevestig drie draden aan een uiteinde van de wartel en houd de wartel vast in een bankschroef zodat ze niet kan draaien.
  2. Haal elke draad door een van de gaten in de knoop en houd de knoop dicht bij de wartel.
  3. Zet een streng vast in de handboor.
  4. Houd strak en draai de boor om de slag van de draad te vermeerderen. Tel het aantal omwentelingen gemaakt met de kruk en, wanneer voldoende gedraaid, hou je deze strak en maak je hem vast.
  5. Herhaal dit en geef hetzelfde aantal omwentelingen aan de andere twee draden.
  6. Plaats de uiteinden tegen elkaar terwijl je ze strak houdt en zet ze vast (of nog beter, laat iemand anders ze vasthouden).
  7. Houd de knop in één hand vast en pas de bankschroef aan zodat de wartel kan draaien.
  8. Houd de draden strak en beweeg de knoop gestaag weg van de bankschroef naar het andere uiteinde.

Als de strengen niet kunnen kinken, moet het resultaat een goed, gewoon geslagen touw zijn.

Gebruik voor vierstrengs touw alle vier de gaten in de knoop.

Alternatief is het gebruik van een klosje gemaakt van een kurk met rietjes erop gekleefd.

afbeelding uit TABOK pagina 70
Een alternatieve klos met kurk en rietjes

3.2 - Kabelgeslagen touw

Maak op dezelfde manier als in 4.1 een kabelgeslagen touw, maar met tegengestelde slag, met behulp van drie van de reeds gemaakte touwen, of anders drie kleine gedraaide vislijnen.